Zomervakantie 2025
Marc en Mieke, onze campervrienden waarmee we tot enkele jaren geleden steevast op groot verlof vertrokken, zakken af naar “Camping Bertem”. Daags nadien vertrekken ze met ons richting Noirmoutier en Quiberon. De eerste étappe prikte ik in Péronne en van daaruit gaat het naar Jumièges. Met nog een paar tussenstops rijden we naar ons keerpunt op Île de Noirmoutier, het eerste eiland in de Vendée. Goed voor een zomertrip van 2.200 km en drie weken vakantie. Met op de retour een passage langs Presqu’île de Quiberon en de roze rotsen van Ploumanac’h zit onze roadtrip vol reprises van vorige zomer met onze compagnon-de-route.
Die trip van veertien dagen was eigenlijk een doorslagje van plekken die we eerder met onze campervrienden al hadden bezocht. Dit jaar spelen we ook op veilig en recupereren ongegeneerd heel wat gekende bestemmingen. Om zeker te zijn van een overnachtingsplaats boek ik in overleg met Marc de eerste twee weken vooruit – ons wedervaren van 2022 indachtig met “camping complet”. Reizen met twee motorhomes bleek toen al niet meer zo evident om ergens plaats te vinden. Reserveren voor amper twee of drie nachten op toeristische topbestemmingen doen ze niet of het is er al een half jaar volgeboekt. Bonne chance…
Fauteuil roulant
Ping. Tijdens het inpakken van de Autoroller plots een bericht: “Wij laten één fiets thuis, meer plaats is om wijn te stockeren.” Even wat paniek, na een knieoperatie lukt het Mieke nog niet om te fietsen en stappen gaat ook wat moeizaam met krukken. Sommige campings liggen niet meteen in het centrum of vlak naast hetgeen we er wilden bekijken. Hoe geraakt ze dan bij de roze rotsen die ons Mie drie jaar eerder ook al heeft gemist? En wat doen we op Noirmoutier om in de stad te geraken of bij het restaurant dat ik reserveerde voor het verjaardagsdiner?
Cris weet raad: we pakken gewoon een rolstoel mee! Die is een kwartier later opgehaald in het zorgpunt om de hoek. Hopelijk past die in de Laika van onze vrienden en redt het onze plannen. Marc vraagt hem de juiste afmetingen en slaat aan het verbouwen. De indeling van hun koffer wordt in zeven haasten aangepast. Ik haal zelf zoveel mogelijk overbodige dingen uit de onze: een kampeerstoel voor Wouter, een setje loodzware petanqueballen en nog meer “dood gewicht”. Jarenlange ervaring leert dat het beschikbare laadvermogen van de Autoroller tijdens de zomervakantie flirt met al dan niet getolereerd overgewicht.
Au fil des empreintes
Eerlang begon elk groot verlof met een pré-verjaardagsfeestje ergens in Leuven of gewoon een glas champagne bij ons thuis. Alleen maar omdat ik nooit wilde vertrekken zonder Lennert en daarmee ook Wouter nog eens te zien. Want je weet nooit welk lot ons allemaal beschoren is. Zo ging de eerste al lang zijn eigen wegen, maar zijn toenmalig lief is onze lieverd gebleven. Die vriendschappen tekenen het leven en zijn reden genoeg om er met z’n allen nog eens op te klinken. Dus vragen we of onze naaste vrienden ook even dag komen zeggen en blijven voor de BBQ. ‘s Ochtends beginnen we aan de mise-en-place en de laatste voorbereidingen van onze reis. Straks is het met de turnjuf en alle compagnie weer full house en nog twee speelse honden daarbij.
Stiekem hoopten Cris en ik dat onze compagnon-de-route nog eens met ons mee zou gaan, maar de zaken liggen tegenwoordig wat anders. Hij komt straks met lief en diens dochterlief zeker nog langs. Net zoals wij Wouter coöpteerden in het gezin met alles wat erbij is komen horen, hebben Marc en Mieke ons als camperfamilie in hun hart gesloten. En door omstandigheden ook alle extra’s die wij erbij hebben genomen. De jongens vertrekken morgen voor een paar dagen naar onze stek aan zee. Zo heeft onze hartendief toch nog íets aan zijn vakantie, maar het weekje herfstvakantie in Berlijn met hem erbij lonkt op die manier wel meer dan deze drie weken congé payé. Schattebol ik ga u missen! L’amour est un oiseau rebelle…
Maandag 14 juli
Bertem – Péronne (195 km)
Na de broeierige namiddag, een gezellige avond en de opkuis achteraf lijkt de nacht plots veel te kort. Met een houten kop zetten we onze fietsen op de drager en pakken de laatste spullen in. Het niet gebakken BBQ-vlees en de overschot van Cris zijn karrenvracht verse groenten wachten in de draagbare compressorkoelkast. Die moet nog in de koffer en de laatste spullen opgeborgen in de camper. De eerste halte wordt Camping du Port de Plaisance aan de Somme; vorig jaar onze laatste stop op de terugweg van Bretagne. Mijn twee venten hadden het toen niet op musea van de eerste wereldoorlog begrepen. Dus liet ik het Historial de La Grande Guerre in Péronne maar voor wat het was, misschien bezoeken Marc en ik het straks wel eens. Zo niet planten we ons opnieuw luilekker ergens op een terras. Prends garde à toi!
Alternatieven waren de kampeerplaats bij Amiens of Château de l’Oseraie waar we in het eerste coronaverlof afspraken met Marc en Mieke. Die camping in Feuillères was het vertrekpunt voor de eerste roadtrip met onze compagnon-de-route. En vorig jaar sliepen we de eerste nacht ook al op Camping des Sygnes nadat we voor Cris zijn verjaardag uitgebreid gingen eten bij l’Ail des Ours. Beide plekken dienden ons dus al menig maal tot eerste of laatste etappe van een reis. De universiteitsstad van Jules Verne en dat boerengat naast de A1 snelweg heeft iedereen onderhand gezien. Toch hou ik die tussenstops in het achterhoofd, net als de nieuwe camperplaats bij Arras als mogelijke haltes op de route naar huis.
Patrimoine historique
Aankomen kan er pas vanaf de middag dus zijn we niet noodzakelijk gehaast. Genoeg tijd om nog een machine was te draaien en een sloot koffie ‘s morgens. Met een laatste berichtje naar onze jongste kornuit schuiven de Autoroller en de Laika één na één van de oprit af. Cris komt als laatste en doet de grote poort op slot. Dan rijden we via de E40 richting Brusselse ring en om over het hobbelige asfalt van de E19 en naar de Franse A2 en onze camping in Péronne. We weten dit keer al hoe een reservatie werkt: zoek uw naam op het bord, onthoud uw plaatsnummer en ga kijken naar uw toegewezen plaats. Inschrijven gebeurt wanneer de receptie ‘s middags weer open gaat en ontbijten kan morgenochtend in de kantine.
Een jaar geleden liepen we hier nog als drie onnozele kiekens de ganse camping af te zoeken naar een bordje met onze naam erop. Toen belden we daags voordien en stond er niks, nu boekten we online veertien dagen vooraf. Dat bordje staat er nu wel, in tweevoud zelfs: “Place réservée famille Paemelaere”. Marc parkeert net als ik achterwaarts op een open plek onder de bomen en tussen de groene heggen die de kampeerplaatsen omzomen. “Eerst een boterham en dan eens gaan kijken in de stad?”, vraagt Cris terwijl tafels en stoelen uit de koffers worden gehaald. “Goed”, antwoordt Marc, “Maar ons Mie gaat niet mee. Ze is nog niet klaar om al in die rolstoel te zitten.”
Accident de parcours
Met z’n drieën wandelen we onder een loden zon naar het plein bij de oude burcht en eindigen ook nu weer op het terras van “La Belle Époque”. Het is aangenaam in de schaduw dus geraak ik opnieuw niet in het museum van de Slag bij de Somme. Zo blijft er altijd een argument om nog eens terug te komen, troost ik mezelf met een La Bête Rouge – en cinquante! Bij een argeloze slok van het tweede glas glipt er iets vasts met het bier mee naar binnen. Een halve seconde duurt het eer ik besef dat het een beest is en proest het rode bier uit over het terras. Een boosaardige wesp steekt me nog net op het puntje van mijn tong. Cris en Marc schrikken en omstaanders kijken verbaasd mijn richting uit terwijl er mij tranen in de ogen springen. Godverdomme, dat doet zeer!
Net zo pijnlijk als hilarisch en een geluk dat ik het tijdig merkte. Erger is vermeden. Onmiddellijk verslag uitbrengen aan Wouter die net laat weten dat ze bijna in Oostduinkerke zijn. “Oei, is dat niet gevaarlijk?”, vraagt de bezorgde teddybeer. “Een geluk bij een ongeluk”, stel ik hem gerust. Mieke geeft ter stond bekwaam advies: ijsblokjes! Dat bier is ook koud, denk ik, maar dat brandt genadeloos op mijn tong. Nu klinkt het net alsof ik anderhalve liter straf bier heb opgezopen en we lachen ermee. Dat is ook werkelijk zo.
Quatorze Juillet
We lopen lallend – alleen ik, door die dikke tong – terug naar onze camping aan de Somme. De grill hoeft vandaag nog niet uitgepakt want bij de kantine staat een foodtruck die ons frieten met satés of burgers met Maroilles serveert. De benamingen van alles hier in de onmiddellijke omgeving verwijzen naar de krijgsgeschiedenis van de burcht aan de overkant van de grote vijver. “Centre Approvisionnement Militaire” afgekort C.A.M. en in de volksmond verbasterd tot “N’importe quoi du Cam”.
Wanneer we terugkomen bij de camping is de poort al op slot, maar Cris heeft de code gelukkig op zijn telefoon. Bedtijd, want na het ontbijt vertrekken we naar Jumièges om er de abdijruïne te bezoeken en dan verder te rijden naar tweede overnachtingsplaats op Camping du Lac.
Dinsdag 15 juli
Péronne – Jumièges (200 km)
Marc en Mieke zijn al vroeg uit de veren, zij hoorden gisteren vanuit hun bed het vuurwerk knallen. Bij het willen gaan douchen merkt Cris dat zijn goede handdoeken thuis zijn achtergebleven. We hebben er genoeg andere bij, sus ik hem wanneer hij dreigt om er bij Décathlon nieuwe te gaan kopen. Mijn shopgrage wederhelft moet het dit jaar zonder zijn winkelgrage kompaan stellen en beperkt zich straks tot een tussenstop bij Kiabi hier om de hoek.
Tijdens het ontbijt bespreken we met Marc de route en de planning voor de dag. Als we te vroeg in Le-Mesnil-sous-Jumièges arriveren tussen de meanders van de Seine, zullen we eerst doorrijden naar de Abdij van Jumièges. Want dat zouden we anders met de fiets hebben gedaan. Het is te ver om er met de rolstoel naar toe te wandelen. Deze keer hoopte ik de ruïne wel te kunnen bezoeken en eens wat deftige foto’s maken. Dat is mij al twee keer mislukt in al die jaren camperreizen. Derde keer, goede keer? Maar het zal dan toch gewoon met de iPhone zijn want de spiegelreflexcamera heb ik ook in Bertem vergeten. Jamais deux sans trois…
Les Boucles de la Seine
Parkeren kan er op de camperplaats beneden in de brede bocht van de Normandische Seine. Nu wil ons Mie wel mee dus maakt Marc aanstalten om de rolstoel uit de koffer te halen. “Ik kan toch met mijn krukken gaan!”, sputtert ze nog tegen. “Maar allez Mie, waar gaat ge dan op zitten als ge daar tussen die oude stenen last krijgt van uwe knie?” Zijn sluitende argument beslecht voor de rest van deze reis finaal het pleit en de rolstoel-gêne. We schuiven aan bij de kassa en kopen 4 tickets met een gids in het Nederlands. Leraren, werklozen en andersvaliden krijgen korting of mogen gratis binnen. Mijn lerarenkaart telt blijkbaar niet en zelf een rolstoel duwen is geen geldige voorwaarde, maar daar liggen wij niet wakker van.
De abdij werd in 654 gesticht door Philibert van Jumièges, dankzij een gift van Clovis II. Ze herbergde een bloeiende monastieke gemeenschap tot de Normandische invallen haar verwoestten. De heropbouw kent twee belangrijke fases: de komst van benedictijner monniken in 940 en na de Honderdjarige Oorlog de Congregatie van Saint-Maur. Tijdens de Franse Revolutie diende de site tot steengroeve om uiteindelijk in 1852 aangekocht te worden door de familie Lepel-Cointet. Sinds 1947 is het een beschermd monument en staatseigendom. De voormalige kloostergebouwen zijn vandaag vrijwel volledig verdwenen. De ruïnes van de twee kerken, de grote Notre Dame en de oudere Saint-Pierre, zijn nu nog getuigen van dat roemrijke verleden. Ze lenen zich vandaag tot dankbaar stilleven voor menig hobbyfotograaf.
Merde il pleut
De hemel blijft zwaar overtrokken en kondigt zomerse buien aan. Toen we hier vorig jaar aan de gesloten poort stonden, een half uur vroeger dan rechtover de abdij uit eten te gaan, blonken de oude stenen hagelwit in het felle licht. ‘s Avonds kleurden ze rozerood in de ondergaande zon, nu oogt het grauw en vind ik het niet zo erg dat ik geen deftige camera in handen heb. Nog tijd genoeg om iets te gaan drinken op het terras van het Salon des Thés en dan checken we in bij de camping aan het meer van Le Mesnil.
Hier konden we geen twee plaatsen in één reservatie proppen dus staan we om één of andere reden eind uit elkaar terwijl er nog plekken genoeg vrij zijn. Bizar. Na het avondeten met de kliekjes van onze zondagse BBQ vallen de eerste druppels al. Die beloven aan te houden tot we morgen weer wegrijden na een nacht woelen en keren onder het onafgebroken tikken van de regenvlagen op het camperdak…
Woensdag 16 juli
Jumièges – Alençon via Pont de Brotonne (175 km)
Bij de reisvoorbereiding had ik klakkeloos Google gevolgd om de route uit te zetten, rijtijden en afstanden incluis. Dat het onding de Bac van Le Mesnil over de Seine incalculeerde merkte ik nog net op tijd om een détour over de Pont de Brotonne in de planning op te nemen. Ik ben er helemaal niet zeker van dat de Autoroller geen problemen zou hebben bij het op- en afrijden van die kleine veerboten. We nemen dan ook de derde Seinebrug. Ze biedt net als de oudere Pont de Tancarville een minder spectaculair alternatief dan de hoge Pont de Normandie die we al menig maal overstaken tussen Le Havre en Honfleur.
Kort over de middag komen we aan bij Camping de Guéramé waar je niet kan reserveren. Bij navraag lieten ze mij wel weten dat er altijd plaats is. Dat hopen we dan maar, in het andere geval wijken we uit naar een France Passion-adres. Marc heeft zijn lidmaatschap vorige week nog snel hernieuwd omdat wij ergens op de terugweg nog Fiefs Vendéens, Muscadet of Normandische cider willen kopen. Er is meer plaats genoeg wanneer we er kort over de middag arriveren onder een grijze hemel. Die klaart gaandeweg uit dus wagen we ons na een boterham aan de wandeling naar het centrum van Alençon aan de samenvloeiing van Sarthe en Briante.
Les Échappées Belles
De stad staat in de geschiedenisboeken omwille van de historische kantnijverheid en het geboortehuis van de heilige Thérèsia van Lisieux, een voornaam die ook mijn oma zaliger droeg. De eerste keer dat Cris en ik met de auto naar Normandië kwamen om de landingsstranden en de Mont-Saint-Michel te zien, stopten we bij Thérèse haar basiliek om er een kaars te branden voor mijn grootmoeder haar patroonheilige. Het heiligdom van Louis en Zélie d’Alençon, de ouders van Thérèse, zou een bron zijn van huwelijks- en gezinsgeluk. Ik zou daar beter een aflaat kopen want we zijn nog maar de derde dag onderweg en ik mis onze jongste hier al. Wouter reageert gedwee op elk naar zijn aandacht hengelend bericht, of stuurt een halve selfie met “onze hond” op een zonnig terras aan zee. Dat scheelt in het smartelijke gemis, ik hem, Cris zijn guitige hond. Poème d’un cœur brisé…
Er loopt net een zomerfestival hier in de stad die haar beste beentje heeft voorgezet om zelfs op een wisselvallige dag fleurig te blijven. Duizenden kleurige linten sieren in de winkelstraat het firmament en op Place de la Magdeleine stelt Compagnie Bivouac net haar tenten op terwijl een jolige fanfare met vrolijke deuntjes voorbij trekt. “Deux danseurs et un acrobate explorent un dispositif sculptural transformé en terrain de jeu. Tout public. Accès libre.”, leest het programma van de toeristische dienst. Nieuwsgierig zoeken we een tafeltje op het naburig terras en volgen het schouwspel van de generale repetitie. Tussendoor waait er nog een zachte bui door de lucht, wij zitten bijna droog onder het lover en een parasol.
Lemniscate, une courbe d’infini…
De show lijkt wel Cirque-du-Soleil-light dus blijven we kijken tot het volk toestroomt en de feitelijke opvoering start. Aan het eind springen Cris en ik spontaan recht en klappen mee in de staande ovatie van het talrijke publiek. Onverwacht plezier en een brok artistieke cultuur met ook voor onze reisgezellen een waar genot! Niemand heeft zin om op de camping nog in potten te staan roeren of de grill aan te steken dus schuiven we ergens aan voor pizza. De ondergaande zon schildert de opklarende hemel in warme kleuren die in hoog contrast staan met de luchten van de laatste twee dagen. Morgen wordt opnieuw hoogzomer verwacht en vanuit het kampeerbed wens ik onze jongste nog slaapwel. Hij antwoordt direct en deze dag kan niet meer stuk. Au plus profond de la matière…
Donderdag 17 juli
Alençon – Bouchemaine (150 km)
Na het ontbijt zetten we onze reis naar Noirmoutier verder met een laatste etappe op de camperplaats van Bouchemaine, vlakbij Angers waar de Maine in de Loire vloeit. Hopelijk is er nog plaats voor een paar verdwaalde zielen. Cris en ik arriveerden er jaren geleden bij +40 graden en het asfalt smolt toen onder de wielen van onze camper. Wij kwamen toen terug van de Atlantische kust en het luchtige Biarritz. En daar wilden we dit jaar eigenlijk met onze compagnon-de-route en onze campervrienden terug naartoe. Want vakantie is zoveel mooier met vrienden die betekenis geven in het leven. Dat stuurde ik op een broeierige dag eens naar Wouter zijn toenmalige lief en de eerstvolgende vakantie namen we hen mee naar Berlijn. Het kan verkeren. L’amour est enfant de bohème, il n’a jamais jamais connu de loi…
Bohémiens à Bouchemaine
Een eind over de middag staan de Laika en de Autoroller broederlijk naast elkaar onder de bomen van de Aire d’Acceuil. Het is er bijna net zo warm als die vorige keer waardoor Marc en Cris meteen een ijsblokjeswedloop starten. “Wie heeft de snelste en wie heeft de grootste?”, vraagt Annelies in het groepje op Whatsapp. Het wordt een nek aan nek race en meer dan een wandeling langs het water naar Brasserie de la Maine valt er vandaag niet te doen.
Het imposante Château d’Angers met de hertogelijke zetel van het Huis van Anjou, 8 km verder aan de andere kant van het water op een rots boven de rivier, hebben wij jaren geleden al een keer gezien. We tekenen graag voor een dagje luieren in de lommerte van de kruinen en de luifels tot etenstijd. Na het avondmaal weet ik de mijne nog te strikken voor een wandeling naar de samenvloeiing van de Loire en de Maine. Maar daar valt in het duister en door de struiken helemaal niets van te zien…
Vrijdag 18 juli – Zondag 20 juli
Alençon – Noirmoutier (180 km)
Biarritz viel af en bij het prikken van een bestemming stelde ik Île de Noirmoutier voor omdat wij daar net als Marc en Mieke met Albert en Brigitte wel eens kwamen – ondertussen lijkt dat alweer een eeuwigheid geleden. Op camping Kaardijk maakten we onze reisplannen concreet en Marc zei: “OK, ik wil daar ook nog wel eens naartoe, maar dan niet in Barbâtre want daar is alleen maar een markt en die PMU.” Zo kwamen we bij Camping Huttopia terecht vlak bij Noirmoutier-stad en daar is altijd wel wat te beleven. We komen normaal gezien vroeg in de namiddag aan en blijven ineens drie nachten staan. Rond het middaguur stoppen we langs de D751 bij Auberge Du Pays De Retz voor een kop koffie en een snelle hap.
Dan zet de route zich van Port-Saint-Père en via de D758 over Beauvoir-sur-mer verder naar het vlakke en zandige eiland in de Grote Oceaan, ook wel eens l’île aux mimosas genoemd. Geen idee waarom want ik zie er altijd oleanders en stokrozen staan. Met 40 km standen en ruim 80 km fietswegen leent het zich aan toeristen als een aangename pleisterplaats. En op het breedste deel dat onder de zeespiegel duikt oogsten getaande eilanders bergjes zeezout en fleur de sel in de marais salants. Daar hadden we straks of morgen graag eens langs gefietst, maar die plannen bergen we beter op. Speelt de mobiliteit ons straks geen parten dan strooien de weersverwachtingen wel roet in het eten. De komende dagen worden wisselvallig.
Passage du Gois
Een 4,2 km lange onderzeese weg in de baai van Bourgneuf verbindt Noirmoutier bij eb met het vasteland. Die legendarische route fietsten we ooit eens met Albert en Brigitte, maar we vergaten de getijdentabel te controleren. Thuis in Bokrijk hebben ze een attractie “fietsen door het water”, hier valt dat dan letterlijk te nemen en wel snel als je niet de vluchtkorven naast de weg in wilt klimmen. Zo zilt als de zee smaken ook de oesters van Port Bonhomme en de Bonnotte-krieltjes van Noirmoutier. Misschien serveren de die wel in het restaurant waar ik voor zondagavond een tafel boekte ter gelegenheid van een 44ste verjaardagsdiner. Cris trakteert!
Wanneer ik mij verzekerd heb dat Garmin ons niet naar die Gois loodst volgen we de navigatie over het viaduct. Dan van rotonde tot rotonde over de centrale weg die het eiland overlangs doorkruist naar Noirmoutier en l’Île. Ik herken de namen en de plaatsen onderweg, zelfs de straten en pleinen bij de havengeul wanneer we de stad binnenrijden. Maar ergens in de buurt van onze bestemming verslikt de automatische trajectbegeleiding zich in een sens unique en we eindigen met de motorhomes op Plage des Sableaux. Gevloek onder het keren in de doodlopende straat om vervolgens zelf de weg te zoeken naar de gelijknamige Allée. Op goed geluk geraken we uiteindelijk toch bij Huttopia waar Cris zich naar binnen rept om van mijn gemopper verlost te zijn en onze plaatsnummers te krijgen.
Farniente sur les plages
Een paar tellen later worden de toegewezen percelen al opgedeeld. Marc staat zus, wij staan zo, dwars over de beide plaatsen om vaste grond onder de wielen van de campers te houden. Ertussenin leggen we onze matten over de mulle zandbak om niet alles mee naar binnen te nemen. Tafels en stoelen worden opgesteld en dan is het vakantie want de zon breekt door de wolken. Eerst nog eens kijken naar de zee waar we onze dikke teen in steken en niet begrijpen dat er mensen in dat koude water duiken.
De rest van de namiddag luieren we weg met pastis en rosé. Morgen wandelen we met Marc naar de stad om bouchotmosseltjes te kopen en palourdes die andere kampeerder hier bij laag water uit het zand gaan krabben. ‘s Avonds gooien we nog wat meegebracht vlees op de grill en de UNO-kaarten op tafel tot het te kil wordt om nog onder de luifel buiten te blijven zitten.
Chasse aux Trésors
Na het ontbijt zoeken we een wandel weg naar het centrum van Noirmoutier en l’Île die loopt langs de Rue des Saulniers en L’Ételle, het restaurant van hotel “Le Fleur du Sel” waar we morgen uit eten gaan. De patron heeft gisteren nog opgebeld om de reservatie te bevestigen. Hij wist meteen te melden dat er voor de gelegenheid een “Soirée Blanche” doorgaat met live jazz muziek. De tafelgasten zijn niet verplicht om zich helemaal in het wit uit te dossen, maar het is wel leuk om vooraf te weten. Dat treft want ik heb een paar Blanc du Nil hemdjes hangen in de kast. Ooit ging ik daarnaar elke zomer op schattenjacht. De weide naast het hotel is het verzamelpunt voor een oldtimer-treffen met iconische Citroëns: een rist DS-sen, Mehari’s, 2CV’s en zelfs enkele Traction Avants die de oorlog nog hebben meegemaakt. Jeugdnostalgie…
We vergapen ons aan de glimmende carrosserieën en zetten onze wandeling verder om bij het imposante kasteel uit te komen in het midden van de stad. De imposante vesting en de nabijgelegen Saint-Philbertkerk vormen het historische hart van het eiland en getuigen vandaag nog over de Vendée-opstand tegen de Franse Revolutie en de jonge republiek. Dat hoofdstuk laten we aan ons voorbijgaan want het ochtendgrijs is ondertussen helemaal uitgeklaard en de zon brandt ongenadig tegen het middaguur. We zoeken verkoeling op het terras van Le Grand Four waar andere toeristen al aanschuiven voor de lunch. Wij houden het op een LA NO, een plaatselijk bier van Noirmoutier.
Aux Délices de l’Ocèan
Gelaafd zetten we onze zoektocht naar bouchots verder, langs Place d’Armes bij de grote poort in de hoge muren van het kasteel komen we bij “Étier du Moulin” een kreek waar de zee tot diep het eiland binnenstroomt. De schaaldierenventer opent zijn deuren pas terug na de siësta dus zit er niets anders op dan te wachten op het terras van Hip’s met een volgende pint en apéroplank. We brengen verslag uit bij ons Mie die ondertussen bij de campers de wacht optrekt tot haar drie mannen met een scheepslading zeevruchten en verse baguettes vrolijk terug aankomen gestapt. Chef un petit verre on a soif…
Morgenochtend is er markt op Place de La République en daar kunnen we met Ligne A van de Gratibus naartoe. De navette pikt ons morgen op voor de ingang van de camping en brengt ons helemaal tot aan de Gare Routière. Dat probleem is al van de baan, want ons Mie gaat graag mee naar de markt. Hoe we ‘s avonds de 2 km naar het restaurant overbruggen zien we daarna nog wel. Nu trekt er alweer bui over onze kampeerplaats dus vluchten we naar binnen.
Marché aux puces
Na een uitgeregende nacht oogt de ochtend al bijna terug zomers. Gewapend met rolstoel en paraplu vertrekken we al vroeg naar de stad om tussen de kramen te gaan snuisteren. Ik ga op zoek naar een nieuwe “sac à pain” want de oude hebben Wouter zijn muizen eens opgegeten toen alle huisraad in zijn garage stond omdat de Autoroller op onderhoud moest. En een nieuw pastisglas want er sneuvelde één in de vaat.
Een linnen zak om baguettes te bewaren zal Mieke ons in Trégastel pas vinden, maar Ricardglazen verkopen ze op de rommelmarkt bij de terminus van de gratis bus wel bij de vleet. Eerst naar de kramen op de echte markt want Cris wil zout kopen met daslook voor op de steak. En wat souvenirs voor de teddybeer, daarna is het hoogtijd voor wat oesters met een glaasje droge Muscadet. Het weer blijft ons gunstig gezind terwijl we met de Gratibus terug aan de camping worden afgezet.
Cris en Mieke zoeken een plekje op het terras bij de campingbarrista terwijl Marc en ik nog even met wat gekochte spullen naar onze kampplaats lopen. Vooraleer we ons gerief hebben weggezet plenst er een zomerse bui neer. Geen manier om droog te blijven onder een parasol dus komen onze wederhelften ook terug aangelopen. Zon en regen wisselen elkaar de rest van de namiddag af dus lijkt het raadzaam een taxi te zoeken voor vanavond. Geen enkele chauffeur te vinden en via Über komt er geen bevestiging van onze kort rit. Geen clandestiene taxi te bespeuren op het aangevraagde uur dus vliegt die app weer van de telefoon en belt de jarige naar het restaurant. “Bonsoir, le taxi n’est pas venu donc on arrive un peu plus tard à pied et avec une chaise roulante.”
Plaisir sensoriel
De regen blijft net lang genoeg uit om er met de rolstoel te geraken en de patron beloofde aan de telefoon om ons na afloop met zijn auto terug te brengen. Maar goed ook want er zal nog menige stortbui over het eiland schuiven. De muzikale omlijsting van de Soirée Blanche zorgt voor een feestelijke toets aan het verjaardagsdiner en dat begint met een glaasje rosé champagne gevolgd door een fijn menu. Na de koffie en calvados verschijnt de gastheer aan tafel en zegt beter nog even te wachten tot de ergste regen overgetrokken is. Zo niet zijn we al doorweekt eer we in zijn wagen zijn gestapt. Even voor middernacht kruipen we voldaan in bed om morgen terug over de brug te rijden en het Mimosa-eiland achter ons te laten met hoop op drogere dagen.
Maandag 21/07
Noirmoutier – Château-Thébaud (88 km)
Na de ochtendkoffie en een laatste campingdouche zetten we koers naar Le Jardin d’Éduoard, een France Passion-adres in La Petite Jaunaie bij Château-Thébaud 20 km onder Nantes in het Pay de la Loire. Even verderop vinden we een Super U om snel nog wat proviand in te slaan en dan melden we ons telefonisch aan met de vraag of er een bezoek mogelijk is en we ook mogen overnachten want online is het onduidelijk of de boutique van Edouard op maandagen geopend is. “Bonjour, j’ai trouvé votre addresse dans le appli de France Passion, serait-il possible de vous rendre visite? Comme j’ai vu sur votre site web que vous êtes fermé le lundi…” “Ah bien, oui voilà le magasin est fermé mais pour les campingcarristes nous sommes toujours ouvert. Vous avez déjà visité notre domaine?” Nee, het is de eerste keer, beken ik zenuwachtig in mijn hakkelende Frans.
De vriendelijke man legt uit dat we links van het huis en vlak voor de schuur naar achteren mogen rijden tot aan de wijnranken. Daar mogen we kiezen waar we willen staan en als we ons even aanmelden kunnen we ook wat proeven en aankopen later op de middag, want nu zijn ze aan het werk op het land. Opgelucht rijden we terug naar het erf van Édouard en parkeren de motorhome bij de mini-wijngaard die achter de schuren met allerhande alaam is aangelegd. Na een snelle hap klaart de hemel uit en worden we begroet door een arbeider die schijnbaar op de hoogte is van onze komst. “Salut. C’est vous qui a téléphoné?” “Oui en éffet”, antwoordt Cris die helemaal niet heeft gebeld, maar het wel beter uit kan leggen… “Vers 16 heures le patron serrat là pour vous acceuillir au magasin.”
Production eco-responsable
Het is ongeveer kwart voor twee wanneer we buiten in het zonnetje zitten en nog ruim tijd om de mini-wasmachine boven te halen. Hier zal het wasgoed wel drogen in de zon en in de wind, wat met de regen van de voorbije dagen niet eens aan de orde leek. Mijn gay-broekjes, zoals Wouter ze ooit eens benoemde, wapperen als kleurrijke vlaggetjes aan een geïmproviseerd wasrek tussen stuur en bagagedrager van de fiets. De gewassen sokken bengelen tussen camperdeur en buitenspiegel. Hopelijk zijn ze straks droog wanneer we met een paar kratten Muskadet terug bij de camper komen. De grotere boxers van Cris zullen we morgen in Quiberon wel in het machientje draaien want daarvoor is er meer wasdraad nodig. Mieke bewaakt onze wasserette wanneer het tijd is om te gaan proeven.
Edouard Massart ontvangt ons met de nodige égards en informeert naar onze France Passion ervaringen en de kennis van zijn vak. Gevolgd door de vraag of Marc en ik verlegen zijn? Want Cris voert het woord en wij luisteren knikkend, terwijl hij voor Marc simultaan vertaalt. “Moi je comprends bien, je me débrouille mais j’ai peur de faire des bêtises…”, verschoon ik mij voor het stilzwijgen. Onze gastheer vervolgt zijn verhaal als introductie op de proeverij, sporadisch onderbroken omdat ik zinnige vragen probeer te stellen. Gewoon maar om te bewijzen dat ik niet verlegen ben en weldegelijk interesse heb voor zijn métier.
Melon de Bourgogne
Na de introductie van zijn wijnmakerij krijgen we uitleg over de invloed van het terroir. De klei hier in de bodem en het gneis of graniet op andere percelen verder weg zorgen voor een breed gamma en divers smakenpallet in zijn wijnen. Ik wist niet beter dan dat Muscadet hier net als Muscadelle rond Bordeaux een druivenras was. Dus informeer ernaar omdat de man het voortdurend over mij onbekende namen heeft. “Nos cépages à Clisson ont un arôme typique et fort minéraux a cause du granite dans le sol.” Meteen laat hij ons het verschil met zijn L’Hermitage AOC Sèvre-et-Maine proeven. De naam van de druiven is mij in het ganse exposé is ontgaan dus piep ik met een glas in de hand even op de pancarten in het proeflokaal.
Na een paar wijntjes is de schroom weg en ben ik zelfs in staat om in het Frans een mopje te maken. “Apparemment ce sont pas des grappes, mais des melons. Et c’est pas de Muscadet, c’est du Bougogne!” Cris kijkt mij vragend aan dus vertaal ik mijn schijnbaar nergens op slaande opmerking. Zijn druiven heten Melon de Bourgogne. Cris lacht een beetje groen om mijn onnozelheid, maar onze bio wijnboer giert het bijna uit door mijn idiote zinspeling.
Livre d’Or
“Il te faut écrire ça! En Néerlandais et la traduction Française. Dites un peu comment on le prononce…” Onvast ter hand door het onverwachte succes van mijn tussenkomst noteer ik het in zijn gastenboek. Hij kijkt mee dus lees ik het nog eens voor in het Nederlands. Ik krijg er zelfs een amicaal schouderklopje voor. Met een paar dozen Hermitage, Clisson en wat Délices fines bulles rosé, op een karretje komen we terug bij de campers aan. De gekregen fles Floréal stond al koud, maar die drinken we pas op in Quiberon.
Eerst moeten de dozen ergens opgeborgen raken en na de apéro met pastis ook de was nog van de draad. Het koelt af tijdens onze grillade dus gaan we na een spelletje kaart ook vandaag weer op tijd naar bed. “Pressen”, Marc leert het ons, maar we krijgen kop noch staart het spel met een “jok en onder-jok.” Bij de laatste foto-update vraagt Wouter: “Zoveel gekocht weeral?” “We bewaren voor u wel een fles.” “Maar ge moet voor mij niks kopen…” “Ach lieverd, dat weten we wel.” Daarna klinkt ook vanuit Bertem een gemeende slaapwel.
Dinsdag 22/07 – Donderdag 24/07
Château-Thébaud – Quiberon (180 km)
Nog een reprise van onze laatste congé payé met het triumviraat: een paar dagen verpozen op de zuidkant van het Bretoense schiereiland met microklimaat. Altijd mooi weer! Of dat hopen we toch. Quiberon en de kust van de Morbihon kennen dankzij de Golfstroom warmere temperaturen dan de rotsige bovenkant van Bretagne. Je kan er in de zomer pootje baden in water van +20 graden als je de toeristische reclame wil geloven. Ik neem in de baai voor Camping Municipal du Goviro straks misschien wel eens de proef op de som. Als het mooie weer aanhoudt, want de voorspellingen staan ook voor de komende dagen op bewolkt met nu en dan zon. Het zal dit keer niet boven de 30 graden gaan, maar dat vind alleen ik precies wat jammer.
Dit keer let ik onderweg naar Kiberen vanaf “Giratoire du Purgatoire” wel op voor elke drempel. Garmin instructies verifiëren duurt plots dubbel zo lang omdat alle wegwijzers hier in het Frans en in het Brezhoneg staan aangegeven. Bij de voorlaatste bult, waar ik vorig jaar over botste met alle gevolgen van dien, rem ik de zelfs zonder extra fiets en derde man de zwaar beladen Transit tot bijna stilstand af. Kort over de middag nemen we onze plaatsen op de camping in. Die kregen we aan de rand van de camping toegewezen. Het kabaal van koters in de speeltuin naast het sanitair blok hield mij en onze compagnon-de-route vorig jaar uit een siësta na een zwoele nacht. Dat we nu wat verder moeten lopen stoort mij allerminst. Cris wipt gezwind uit de cabine en opent de barrière met de via mail ontvangen code voor de Autoroller en de Laika.
Le grand souffle
Dat we onze rijdende villa’s een diagonaal en bergop moeten binnen de perimeter van het ons toegewezen perceel moeten wringen, stoort mij al iets meer. Wanneer ik bij het voorwaarts op de keggen rijden met het rechter voorwiel al diep in het mulle zand graaf, leidt helemaal tot gevloek en ergernis. Droog zand is geen modder – chance. Het klamme zweet breekt mij uit. Met een zucht van verlichting trek ik de voortrein voorzichtig weer op het asfalt. Nog voor Cris terugkomt van het kantoortje om onze aankomst te melden, heb ik ons logge gevaarte in achteruit met het linker voorwiel op een enkele keg geduwd. Nivelleren aan het achterwiel, met alle gewicht voorbij de assen, lijkt in het mulle zand een verloren zaak. “Beter wordt het niet”, mompel ik geërgerd wanneer mijn wederhelft bedenkelijk naar de belletjes in de waterpas kijkt.
De rest van de dag schuift voorbij met een glas rosé terwijl deel twee van de bonte was in het kleine machientje draait. Nu wapperen de grote boxers van de dikke beer aan de waslijn onder onze luifel in de warme wind. De hemel overtrekt langzaam met dikke wolken, hopelijk blijft het droog. Morgenochtend is er markt bij Port Haliguen – “Porzh-Haligen” voor de echte Bretoenen. Dat er markt is, vertellen de Duitse buren ons die van achter hun boek alle bewegingen in mijn wasserette volgen. Eer we aan het avondeten beginnen, lopen we nog even langs de boulevard om te kijken of we met de rolstoel in het centrum van de badplaats geraken. Dan reserveert Cris voor morgenavond meteen op het terras van Le Corsaire.
Woensdag 23/07
‘s Morgens ben ik er als eerste uit met een goedemorgen en wat berichten naar onze derde vent. Beneden bij de ingang speur ik rond half acht vruchteloos naar de bakker die hier vorig jaar met een bestelwagen vol baguettes en croissants kwam. Bizar. “Er staat nog geen rij gepensioneerden aan te schuiven.” stuur ik naar mijn knuffelbeer. Die lacht en stuurt dan: “Misschien komt die niet meer, of hebt ge u van uur gemist?” Na een ommetje tot aan het water is nog altijd geen bakker te zien. Ik geef het op en ga koffie zetten op het restje Campingaz van de BBQ. Wij ontbijten niet en onze reisgezellen hadden nog brood.
Wanneer we een paar uur later naar de markt vertrekken, staat de zon al hoog aan de staalblauwe hemel. Als het zo heet blijft, wil ik misschien toch eens gaan zwemmen – al is dat idee buiten de getijden, het vele wier waar je door moet ploeteren gerekend en waarschijnlijk ook de watertemperatuur. Zelfs pootje baden komt er ook deze congé weer niet van.
Mark ging vooraf op verkenning met de fiets, langs de kustweg, om zich ervan te vergewissen dat er weldegelijk markt staat. Wij volgen nu Cris zijn iPhone en stappen binnendoor tot bij het haventje waar de toeristen zich verlustigen aan de koopwaar en de verkooppraatjes van vrolijke standwerkers. Aan de rand van de wriemelende markt liggen de bootjes onbewogen badend in het felle licht op het spiegelende wateroppervlak. Geen groter contrast met de drukte bovenaan de hoge kaaien.
Port Haliguen
Ik stuur een update naar Wouter: “Herken je het nog?” Natuurlijk herinnert onze lieverd zich het bloedhete terras bij de haven en de pitcher cider nog. Misschien zal hij er één van de volgende zomervakanties toch nog eens bij zijn. Hem drie weken niet zien, lijkt hier soms een eeuwigheid. Gelukkig zijn er berichtjes, cider en goed gezelschap om het gemis te verzachten. Terwijl ik met onze vrienden op een terras wacht, gaat Cris nog snel om brood bij een kraam op de markt. Het loopt tegen het middaguur wanneer we puffend terug naar de camping stappen. Daar werd sinds vorige zomer een volautomatische Wash.ME geïnstalleerd. Ik wil het beddengoed nog in de grote machine steken voor we vanavond uit eten gaan.
Bijna zes uur. We vertrekken naar het toeristische centrum van Quiberon-ville met anderhalf uur om er te geraken. Meer dan tijd genoeg om foto’s te maken van een stilleven dat mijn nooit verveelt. De al lager staande zon tekent baai, stranden en rotsen in hoog contrast af op de gevoelige plaat – lees de beeldsensor in uw gsm. Blijf ik te lang schilderen om dat éne magische moment van een brekende golf of een voorbij glijdende meeuw vast te leggen, dan zijn onze reisgenoten al een halve kilometer verder – rolstoel incluis. “Marc heeft zijn veldvitesse weer opgezet”, jammert Cris steunend op zijn wandelstok. En wanneer ik onze compagnie in geforceerde mars probeer bij te benen: “Zeg, zo rap kan ik niet stappen zenne!”
Rien ne va plus
Geen nood! Een cocktailbar om de benen te laten rusten is gauw gevonden vooraleer we nog 500 meter verder bij Le Corsaire aan tafel gaan. Met een Negroni voor mijn neus verlustig ik mij al aan de fruits de mer! En mijn lekkerbekkende grizzlybeer aan zijn moules de bouchot. Een voorgerecht hoef ik met een schotel zeevruchten en reuze spinkrab zeker niet. Marc en Cris bestellen eerst nog kikkerbillen comme entrée daarna kunnen ze aan hun pot Franse mosseltjes beginnen. De ganse tafel moet op het dessert of de Irish coffee wachten tot ik bij de kleine kreukels eindelijk de handdoek in de ring gooi. Het garçonnetje vraagt of hij de kadavers mag afruimen en of het bevallen heeft. Délicieux!
Nu en dan waait er ook hier nog wat nattigheid door de lucht en boven de baai spant zich een regenboog spant uit waar de regenwolken samenpakken. De twee mannen aan het tafeltje naast ons gniffelen omdat die ook mijn aandacht trekt. Hun gaydar had ons zichtbaar al gespot. Het duister valt hier op 3° westerlengte precies sneller dan op 4° oosterlengte in Bertem, nochtans zijn we geen andere tijdzone binnen gereden. Wanneer we over Boulevard du Goviro terug naar de camping wandelen zie ik onwillekeurig het blije beeld van een overjaarse puber terug die vrolijk huppelend voor ons uit loopt. De lichtjes van Belle Île en Mer aan de einder boven de donker spiegelende zee roepen mij terug uit die hartverwarmende mijmeringen.
Morgen is er weer een dag en ‘s morgens hopelijk ook een bakker. Wouter krijgt gelijk, want volgens de affiche aan de deur van het bureautje heb ik mij deze ochtend gewoon van uur vergist.
Donderdag 24/07
Bij dageraad kan ik een keer wakker nog met moeite blijven liggen. Klokslag 7u na een goedemorgen voor mijn achterblijver wip ik de camper uit. “Sebiet uw sleutels gaan zoeken in de winkelstraat.” Hij lacht een beetje verlegen. “Die zullen daar nu toch niet meer liggen he Stijntje.” “Nee schattebol, ik plaag u maar.” Bij de buren zwaait de camperdeur ook net open. “Brood nodig?” “Dat mag, breng maar iets mee van wat ze hebben.” Dit keer ben ik bewust een uur te vroeg om foto’s te gaan maken van het ochtendgloren boven de landtong van Pointe du Conguel. En gisteren zag ik op het strand een oude Atlantikwall-bunker. Storend voor de ene, een waardeloos relict, het canvas van een graffiti artiest en fotogeniek voor een fotograaf die buiten de lijntjes kleurt. Zoveel nog te bekijken en zo weinig tijd. L’avenir appartient à ceux qui se lèvent tôt.
L’heure dorée
Met één oog op de klok tuur ik naar de einder op het scherm van mijn iPhone om dat ogenblik te vangen waar het eerste licht in de dag overgaat. “Golden hour” kort na zonsopgang of vlak voor zonsondergang zoals gisterenavond. De hemel vult zich dan met indirect zonlicht omdat de zon op de horizon staat. Het blauwe licht wordt gefilterd door de langere afstand door de atmosfeer. Niet zelden loop ik doordeweeks voor zonsopkomst al rond om koffie te gaan slurpen als Wouter met de vroege staat. “Blue hour”, het uur voor het licht wordt of net nadat de zon helemaal achter de kim verdwijnt, laat de hemel onder ideale omstandigheden diep blauw oplichten. Daarvoor ben ik vandaag te laat.
De bakker moet zo ongeveer gaan komen dus laat ik de grote Duitse bunker halverwege het Kasino maar voor wat het is. Aanschuiven in de rij is voor sommigen een onvatbaar begrip. Er staan twee kampeerders op anderhalve meter van elkaar langs de toegangsweg van de camping. Ik bezet positie drie, tot er achter nummer twee vanuit de haakse richting een vierde man aansluit. Dus schuif ik netjes tussen beiden in. Nummer vijf komt toe en nummer zes, mooi uitgelijnd. Als eerste staat een Franse dame – waarschijnlijk gepensioneerd – alles loopt gesmeerd tot er een achterlijke Hollander aan komt lopen uit een “kerreven” vlak achter de bareel.
Bordèl de merde
Godverdomme. Schijnbaar argeloos komt die klootzak breed gesticulerend naast die dame staan, gevolgd door twee brallende kleuters die ter nauwer nood onder de bakkerswagen steken. Nummer twee zegt niets, hij wordt meteen nummer drie. Ik zwijg en haal eens diep adem: “Stijn, het is vakantie. Jaag u niet op en laat het los.” Achter mij klinkt de gedempte Franse vloek van mijnheer nummer vier, enfin nu dus vijf, tegen de nieuwe nummer zes. De volgende tien wachtenden arriveerden pas later en zagen het schaamteloze manoeuvre van die mottige kaaskop niet.
“Bonjour. Deux pain au chocolat, deux croissants, deux traditions et une baguette s’il vous plait!” Marc en Mieke hebben met één stokbrood genoeg. Cris wil meestal wel koffiekoeken ‘s morgens en ‘s avonds bij de grill of de kaas een homp brood. Geen idee wat onze companen wilden rustiek of normaal Frans brood. Zo kunnen ze nog altijd kiezen dan houden wij de rest. De bakkersvrouw stop de koeken in een zak en ik reken af. Dan duwt ze mij de baguettes onder de arm: “Merci à vous et une bonne journée!”
Passé imparfait
Na het ontbijt wandelen we opnieuw naar het centrum en de winkelstraat. Nog altijd op zoek achter een linnen “sac à pain” en misschien nog iets voor onze jongste die ik met wisselende emoties hier bij ons gezelschap mis. Cris heeft ook dringend karamellen nodig au beurre salé. Misschien wel een kilootje of twee en een nieuwe Billy-bowl. Bretoense kommen zijn ook hier te koop in de betere toeristenval. De vorige is gesneuveld toen Wouter zijn schattige schooier na het eten zijn kommetje omstiet – een perfect oubollig imperfectum.
Volgende week stoppen we op de terugreis bij La Ferme de Billy speciaal voor onze derde vent. Hun calvados valt bij iedereen in de smaak dus sloegen we een jaar geleden een voorraad flessen in – alleen al om de naam van Wouter en soms ook onze hond. Jeroen die toen op Billy paste kreeg als bedankje ook zo een fles. Die zit nu opnieuw in de bestelling en hier in Quiberon vonden we bovenaan de winkelstraat een fles met iets aperolachtigs voor Nancy. Daar gaat Cris hier ook nog naar op zoek, want al die flessen zijn al lang soldaat. Met handen en voeten beschrijft mijn wederhelft het drankje want in de slijterij zien we het dit keer niet. “Désolé messieurs, ça doit être été dans un autre magasin.”
La Fleur d’Immortelle
Mooi niet, maar de uitleg over een bitter op basis van duinbessen uit de streek klopte voor geen meter. Bij het buitenstappen valt ons oog in het uitstalraam op die fles van vorig jaar. “Spritz des Dunes” dàt was het. Wij terug naar binnen. Het etiket toont de Immortelle of Helichrysum Italicum, een geel bloempje dat vooral in wild goed op zandgrond gedijd. De bittere likeur wordt blijkbaar gemacereerd en niet gestookt van duindoornbessen. Zelfs niet eens hier in de streek maar bij een stokerij in de Charente Maritime. Alleszins nu hebben we ten minste voor onze jongste zijn schoonzus ook een souvenir. We zien hen meteen bij onze thuiskomst al want dan verzamelt onze reservefamilie bij Wouter thuis.
Wanneer we alle winkeltjes hebben gezien is het ongeveer middag, dus schuiven we aan op het terras van Le Kafé Hoche. Na wat rondkijken eindigen we toch weer bij Le Colibri voor een lichte lunch met linguine, slaatjes en een croque. Daar hebben we met onze compagnon-de-route ook eens gezeten, net als bij het restaurant van gisteren. Mensen zijn gewoontedieren, waarom zouden wij anders zijn. De vorige en nog komende dagen zitten vol met gekende bestemmingen en plekken waar het goed of leuk is geweest. Une balade des gens heureux.
Côte Sauvage
Marc en Mieke blijven op de camping om met hun dochters en de kleinkindjes te videobellen. Wij nemen de fiets voor een expeditie door het schiereiland en langs de Côte Sauvage tot bij Port Maria waar ik Blanc de Sèiches of Encornets wil gaan kopen om te grillen. Die wilde kustlijn duidt op de ruige rotsformaties en de kliffen waar al eens iemand dreigt af te donderen. Cris is er niet kloek op en terwijl ik op teenslippers behoedzaam naar de steile rand stap om foto’s te maken, roept mijn wederhelft mij na: “Stijn! Hebt gij niet gezien wat er hier op dat monument staat??” “Jawel” mompel ik – in 1979 lieten een gendarme en een vrijwilliger hier het leven tijdens een reddingspoging van een onvoorzichtige toerist. Bijna uit mijn sloffen schuivend op aflopende rotsen, slaat mijn hart een tel over wanneer ik terug na boven klim.
Maison Lucas – de poissonnerie bij de haven – opent pas over driekwartier dus zoeken we eerst ergens een hartversterker en wippen daarna even binnen bij de conserverie om lekkers voor onszelf te kopen en souvenirs voor onze thuisgebleven troetelbeer. Met een brood voor Marc en Mieke, een scheepslading verse inktvis en rillettes van La Quiberonnaise en La Belle Îloise fietsen we terug naar de camping. Klaar om aan de volgende grillade te beginnen en na het avondmaal de voortent in te pakken want morgenochtend kruisen we Bretagne door naar de volgende camping in Trégastel.
Vrijdag 25/07
Quiberon – Plouman’ach (2:50) 200 km
Na hun vroege ontbijt zitten Marc en Mieke al op vinkenslag om koers te zetten naar Camping Les Ajoncs d’Or. Ik heb vanochtend wel brood gehaald, maar dat houden we voor een snellen lunch onderweg ergens in het Bretoense binnenland. Cris is ondertussen ook uit bed, alles ingepakt dus kunnen we de tocht over kronkelige wegen aanvatten. Daar vloekte ik vorige zomer meermaals op toen we voor de zoveelste déviation stonden. Dit keer loopt het vlotjes en na een tankbeurt ergens toevallig op de route liggen we in de klim naar Mûr-de-Bretagne zelfs voor op schema. Klinkende namen van wielrenners in de Tour staan er nog op de weg gekalkt. Wij zouden hier precies liever niet in het zadel hebben gezeten, enkele amateurs doen die rit uit de ronde van Frankrijk vandaag wel over. Behoedzaam ontwijk ik met ons gevaarte de zwalpende waaghalzen op de stijgende tweevaksbaan.
Na een kilometerslange afdaling over de D767 op ongeveer twee derde van de route draai ik met de zware camper “Aire de Porzh Chevance” op in de Vallée du Trieux. – “An Trev” voor de oude druïden en in het Brezhoneg. Tijd voor een sanitaire stop en een half uurtje middagpauze want anders zijn we veel te vroeg in Trégastel. De beer grolt al voor zij die niet hebben ontbeten. Ooit moet het hier een nette étappe zijn geweest voor campingcars en motorijders te midden van de bossen in een regio met menhirs en hunebedden. Nu staan het toiletgebouw en de picnicbanken er overwoekerd bij en tussen de wild groeiende planten ligt het bezaaid met achtergelaten afval – niet alleen van argeloze passanten want meestal hebben die geen defecte wasmachine bij. Salops!
Aodoù-an-Arvor
De volgende 55 km volgen we de D767 naar Guingamp – “Gwengamp” dus want hier worden de Franstalige namen al eens vaker overschilderd. Dan verder tot Lannion – “Lannuon” eerder want de .fr is bij de Mairie al lang door .bhz vervangen. Daar slaan we af naar de D11 om op Les Ajoncs d’Or onze gereserveerde plaatsen in te nemen. We doorkruisten al een paar keer de kusten van Côtes-d’Armor – “Aodoù-an-Arvor” tussen Saint-Brieuc, Brest en Quimper oftewel “Sant-Brieg”, “Brest” en “Kemper”. Dat ze in Parijs niet de moeite deden om de dichtst bevolkte stad in Finistère te herdopen heeft er enkel en alleen mee te maken dat de oude Keltische benaming in de taal van Molière even makkelijk weg bekt.
Even over 13 uur komen we aan bij de camping waar wat mensen bij het bureautje staan dat nog in middagpauze lijkt. Nochtans staat er op de website te lezen dat het er doorlopend open is. Het stationair draaien van onze warm gelopen diesels en loeiende airco’s heeft de aandacht getrokken. Een sportief uitziende man komt naar boven gelopen en spreekt Cris meteen aan die bij de gesloten deur van de receptie probeert uit te vissen wanneer het terug open gaat.
Camping Complet
“Bonjour!” de man rept zich naar mijn puffende grizzlybeer. “Je suis désolé nous sommes malheureusement complet, pourvue que vous avez une reservation?” “Si, nous avons bien réservé, deux emplacements pour camping cars au nom de Paemelaere et de Coeckelbergh.” “Très bien, ça était malin!”, met dat compliment zie ik hen in de achteruitkijk spiegel naar binnen verdwijnen. De Laika staat achter mij te draaien, nog half in de doorgang vanaf de straat. Omdat er andere campinggasten toekomen rij ik verder de autoparking op zodat Marc ook baan kan ruimen. Na bijna een half uur is er nog altijd geen grote beer te zien.
Ongedurig wip ik de cabine van de Transit uit en stap over het zinderende asfalt naar de receptie. Daar staan ze gezellig te keuvelen over de lunch die moet wachten, over het weer of god weet wat. De campingbaas legt uit dat hij zelf de permanentie wanneer het personeel in pauze gaat. “Ah monsieur Coeckelbergh…” de man spreekt Marc zijn familienaam quasi feilloos uit. “Beh non, ça c’est mon marie, la première réservation au nom de Paemelaere.” “Donc, vous êtes Stijn?” “En effet, monsieur Coeckelbergh attend dans la seconde camping car.” Net op het moment dat hij ons op een plannetje toont waar we mogen staan, de bar, het sanitair en de Super U 500 meter verder, komt ook Marc kijken.
Complètement à l’aise
“Alors, vous devez être Marc…” die kijkt ons enigszins verbaasd aan, maar de vrolijke man gaat onverstoorbaar verder met zijn verhaal. Hij is de zoon van een uitgeweken Fries en spreekt zelfs een mondje Nederlands, meer dan onze campervrienden Frans. “Ce soir à 21 heures il y a un concert classique dans notre grande chapiteau si ça vous intéresse…” Muziek, klassiek, tuurlijk komen we kijken reageert mijn muzikale beer enthousiast. Marc verstaat de Franse uitleg grotendeels en ook zijn interesse is meteen gewekt. Maar kunnen we nu eindelijk die motorhomes beneden gaan parkeren? De onze staat ondertussen voor een paar vertrekkende wagens in de weg…
Eens geïnstalleerd komt de Friese Bretoen even kijken. Hij informeert of het allemaal naar onze zin is. Zeker! En terloops vertel ik dat het nummer 8 van zijn 18 op de grond lag. “J’ai récollé le huit, car c’était tomber au sol.” De man bemonstert mijn reparatiewerk. Ik had zijn paaltje ook best wat dieper mogen slaan. Zonder pardon duw ik hem mijn hamer de hand. De toon en de sfeer zijn gezet! Mij hoor je voor één keer niet klagen, zelfs al staan we door een veel te ruim geplaatste Decathlon naast ons schuin geparkeerd. De Laika staat haaks op de Autoroller in de schaduw van het lover. Het is warm en niemand maalt vandaag ergens om. Laissez faire, laissez passer.
Aod ar vein ruz
Straks fietsen Marc en ik naar dé attractie van de Côte de Granit Rose – de vuurtoren van Ploumanac’h. Die laatste plaatsnaam spreken modale fransen uit als “ploemanak” en een verstokte breton als “plu’ma-na:x” met de klemtoon op de oe, een nasale langgerokken a in het midden en een zachte g op het eind. Maar eigenlijk is het gewoon de Phare de Mean Ruz wat in het Brezhoneg zoveel wil zeggen als roze rots. Ons enige doel van deze omweg is Mieke morgen tonen wat ze ook drie zomers geleden al wilde zien en heeft gemist. De fietstocht ernaar toe vanuit Perroz Guirec over een col van eerste categorie bleek toen zelfs voor ons bijna een brug te ver.
We krijgen nooit genoeg van de enorme keien op het strand, de kracht van de natuur en het spel van zon en zee in onze camera. Marc wordt er bijna lyrisch van. Ik krijg al weer dorst dus doen we waarvoor we gekomen zijn: speuren naar mogelijke plekken om met de camper te parkeren. Morgen kunnen we misschien naar het centrum rijden om van daar te voet met ons Mie naar de roze rotsen te gaan kijken. Hier ergens met een rijdende villa parkeren wordt een uitdaging. Google vertelt ons dat het amper 2,4 km is vanaf de camping. “Stijn,” zegt Marc “we gaan het gewoon proberen, te voet en met de rolstoel met dat toch te doen zijn?” Waarschijnlijk wel als het wandelpad langs de baai bij eb opnieuw vrijkomt toch.
An Traouieroù – Traou fasker
Cris en Mieke zijn ondertussen naar de Super U en ze hebben eindelijk een nieuwe sac-à-pain gevonden! Hij kocht ook een boodschappentrolley zoals ik had voorgesteld omdat er wel wat frisdrank mee moest komen. Altijd handig bij een volgend winkelbezoek of een andere vakantie. Het is bijna apérotijd wanneer we terug voltallig bij de motorhomes zitten met een koud pintje. Wat eten we straks? Gaan we eerst nog eens kijken naar die Vallée des Traouïero waarvan die man ons sprak? Dat moet precies de moeite zijn…
Zo gezegd, zo gedaan. Met z’n drieën stappen we de camping buiten en rechtsaf lang een huizenhoog afgerond blok roze graniet waarachter een villa verborgen zit. Een paar honderd meter verderop leidt een pad ons in het bos. De Traouïerovallei is gevormd door de rivier Kérougant die er doorheen slingert en eindigt bij de haven van Ploumanac’h waar het twee getijdenmolens voedt. Het stroompje vormt ook de natuurlijke grens tussen Perros-Guirec en Trégastel. Het is er aangenaam koel in vergelijking met boven in de zon dus wandelen we een eind over knonkelende paden tussen de bemoste rotspartijen door. Tot op een gegeven moment twee vrouwenstemmen weerklinken: “Messieurs, messieurs! Vous venez d’où? Nous sommes perdu…”
Sauveteurs en fôret
Ik loop om een groot rotsblok heen en zie boven tussen de bomen op een richel twee dames op leeftijd staan – lichtjes in paniek. Ze volgden kilometers lang een stijgend pad en zitten nu vast een meter of drie boven mij. Behendig als een berggems klim ik van het ene blok graniet naar het andere tot ik net een halve meter lager sta dan hen. “Donnes moi la main, vous pouvez descendre par ici.” Onzeker doen ze één voor één een stap naar voren, de diepte in en volgen me naar beneden tot op het veilige wandelpad. Cris legt uit dat we via de toegang bij de camping van Trégastel het bos in gekomen zijn, goed 500 m terug.
Zij komen van een andere kant en hun wagen staat geparkeerd langs een baan vanuit Perros-Guirec. Oei. Hoe ze daar terug geraken weten wij niet. Gelukkig komt er een stel Franse joggers aan die ook halt houden en zich proberen te oriënteren aan de hand van de dames hun chaotische verhaal. Genoeg avontuur! Wij laten dit gezelschap voor wat het is en keren op onze stappen terug. De man van de camping had gelijk. Mooi en uniek is het hier wel als je van verdwalen en tussen spelonken in donkere bossen houdt. Ik verkies een plaatselijk bier in de namiddagzon!
CubaRoque
Dat vinden we op het terras van de campingbar. Onze amicale campingdirecteur prijst zijn streekbier aan terwijl ik van mijn Cerf nip. Barley Wine 9% – médaillée d’or concours de Lyon 2024
van Brasserie des 7 Îles poëtisch beschreven door de biersommelier: “une robe brune aux reflets acajou foncés, une intensité liquoreuse et caramélisée”. Terloops vertel ik dat we naar zijn uitzonderlijke vallei van een miljoen jaar oud zijn gaan kijken en twee verloren gelopen dames hebben gered. “Oui, ça se passe.”, glimlacht onze man laconiek. Het is vrijdag dus de laatste kampeerdersapéro met het animatieteam. Ze spelen een woordspel dat voor ons veel te snel gaat zelfs al verstaan en spreken we best wel een mondje Frans. De vacanciers aan de tafel naast ons winnen het spel en een fles cidre doux voor het aperitief op het portiek hun huurchalet.
Wij poetsen ook de plaat om bij de campers de tafel te gaan dekken en vanavond naar de grote tent te gaan voor het vocale gezelschap met Cubaanse barokmuziek. Dat blijkt een verrassing van formaat. Het is een klein wonder dat het Ensemble Cantabile net hier op een onooglijke camping en net vandaag met CubaRoque aan een culturele tour door Frankrijk begint. De campingbaas is terecht fier als een gieter op zijn topevenement. Morgen spelen ze al 130 km verder in Morgat om 10 dagen later te eindigen in Les Sables-d’Olonne en La Tranche-sur-Mer. Rencontres culturelles…
Vivez culture
Het ensemble wordt in 2016 opgericht door hoboïste Yulnara Vega en tenor Roger Quintana binnen de culturele beweging die het Cubaanse erfgoed wil bewaren en promoten. Ze onderscheiden zich van de populaire mainstream cultuur met authenticiteit en originele instrumenten of replica’s daarvan. De keuze voor Renaissance en Barok levert hen een selectie op bij het Nationaal Centrum voor Concertmuziek aan het Cubaanse Muziekinstituut. Ze hebben ons kennis laten maken met de warme klanken van een reis door de tijd. De oude muziek vloeit in hun oeuvre samen met het hedendaagse Cuba. We worden in de plots wat onwaardige sheltertent van De Gouden Gaspeldoorn ondergedompeld in een fascinerend klankuniversum op piano, hobo, blokfluit, cello en barokviool.
De zoetgevooisde stemmen van de tenor, bariton en de melancholische sopraan brengen ons in vervoering. Cubaanse aria’s klinken zelfs mij bekend in de oren – Guantanamera van José Fernández Díaz en Chan Chan van Compay Segundo worden hier nieuw leven ingeblazen. Het haar op Cris zijn armen komt ervan recht in de meest positieve zin en aan het eind springen we recht voor een staande ovatie. Enthousiast schuif ik mee aan om een opname te kopen. Cd’s zijn nog slechts een archeologische vondst dus krijgen fans voor 10 euro een flashdrive met hun digitale audio erop. De winst die ze maken gaat bovendien naar een sociaal en educatief project voor straatkinderen in Havana. Ik heb alleen nog 20 euro en wisselgeld hoef ik niet, maar in het Spaans krijg ik dat helaas niet uitgelegd en de tolk is al naar huis. Tenez, c’est pour la bonne cause!
Zaterdag 26/07
De dag start overtrokken. Het belooft met tussenpozen zonnig te worden boven de roze granietkust dus vatten de wandeling naar de vuurtoren aan. Wanneer we op Quaie Bellevue bij de haven van Ploumanac’h en de getijdenmolens komen, is de hemel bijna uitgeklaard. Het wordt zelfs al wat warm en ik krijg weer dorst. Door steile straatjes klimmen we omhoog om via Rue Saint-Guirec terug af te dalen. Bij de gelijknamige plage wacht ons le sentier des douaniers. Maar eerst is er koffie op het terras van Castel Beau Site aan het begin van dat wandelpad. Daar loods ik onze compagnie blindelings naartoe nadat ik hier vorig jaar na een voettocht vanuit Perros-Guirec al eens met mijn troetelbeer heb gezeten.
Mean Ruz
De cider lonkt, maar gezien het vroege uur en de wandeling die ons nog wacht houden we het op een fles Plancoët – l’eau Phare de Bretagne. Terwijl we op het terras verpozen trekt de hemel dicht en na de wisselvallige week verwacht ik alle momenten een bui. Die blijft gelukkig nog wat uit. Net wanneer we 101 foto’s hebben gemaakt, van ons Mie haar rotsen en de toren onder een grijze lucht, trekt de zware bewolking in een oogwenk open. Goverdorienogaantoe! In zeven haasten probeer ik elk plaatje opnieuw te schieten met fel blauw en witte schapenwolkjes hoog boven het roze graniet. C’est bon pour le moral.
Eer we de voettocht naar de camping aanvatten pakken de wolken opnieuw samen en waait er zelfs wat nattigheid door de lucht. Schuilen kan om de hoek onder de luifels van Au Rest à Terre – sandwicherie, crêpes én mosselrestaurant. Het is net middag dus profiteren we ervan om een pot mosselen of een slaatje te bestellen. Na een smakelijke lunch blijft verdere regen uit. Onderweg naar de camping stappen we dan nog maar even binnen bij de biscuiterie en de Super U om inkopen te doen. Want morgen rijden we al aan een stuk huiswaarts. Eerstvolgende etappe: de vertrouwde stek in Saint-Benoit des Ondes en daar is niet onmiddellijk een warenhuis. Er zijn wel riante schotels fruits de mer en moules de bouchot recht uit de zee!
Zondag 27/07
Plouman’ach – Saint-Benoit des Ondes (165 km)
‘s Ochtends heeft het mindere weer ons opnieuw ingehaald en na de ochtendkoffie kramen we op voor een paar uur snelweg en route nationale. Het is warm wanneer we over de middag even stoppen voor een sanitaire pauze en een boterham, maar de grauwe lucht houdt aan tot op onze volgende bestemming. Daar staat tegen 14 uur een immense file voor de barrière van de camping en een rij mensen aan te schuiven bij het loket om een plaats te krijgen. Pas als er een auto met een caravan en een motorhome binnen rijden, kunnen wij de parking naast de ingang oprijden. Dat wordt hoogtijd want we houden het verkeer op de hoofdweg door het dorp al een paar minuten op.
Al wachtend breng ik verslag uit aan het thuisfront. Het vriendje van onze derde vent schrikt dat wij gans Frankrijk even lam hebben gelegd. Of zo lijkt het op dat ogenblik wel. Uiteindelijk is het aan ons, wanneer ook de duitser met zijn campingcar – een vouwwagen – door de poort is geraakt. Dat we er nog een kwartier staan te wachten is niet het probleem, want we hebben vooraf gereserveerd. Net zoals een andere ongedurigaard die gepikeerd is omdat eerst ik en dan Marc vóór hem door de poort zijn gereden. Cris die bij de receptie achter hem staat en het ziet gebeuren, sust onze landgenoot onmiddellijk. Wij zijn ondertussen habitués en weten hoe het hier werkt. Iedereen die vooraf telefoneerde heeft plaats, maar het gemeentepersoneel van de municipale werkt hier niet zo beestig snel.
Éclaircies en fin d’après-midi
Meer dan aperitieven en nadenken over het avondeten staat er vandaag niet meer op het programma. Wordt het grillen of zoeken we hier nog iets? In de vooravond klaart de hemel op en breekt de zon nog door. Ze schijnt zelfs wat ongenadig op onze bol wanneer we om toch nog wat beweging te hebben voor morgen al zeevruchten gaan bestellen bij La Perle des Grèves. Dat comptoir herkent ook Wouter nog wel en hij krijgt al het water in de mond. Buiten onze camping komt een foodtruck staan, maar liever dan afhaalpizza’s beproeven we ons geluk nog eens bij Baia tegenover de camping – saveurs italiennes dans la baie du Mont-Saint-Michel.
Daar zaten we met onze vriend drie zomers eerder ook een keer en dat viel Marc toen reuze mee. Na het dessert en de espresso met grappa wandelen we nog tot bij het strand waar de vloed tegen de rotsblokken spoelt. Een paar uur tevoren kon je nog bijna helemaal over het droge tot aan de Mont-Saint-Michel die hier een 25 km oostwaarts aan de horizon ligt. De zon gaat aan het andere eind langzaam onder en wij bijna naar bed. Morgen fietsen wij misschien eens naar Cancale en gaat Marc mee. Of misschien houden onze vrienden een dagje platte rust.
Maandag 28/07
Na het ontbijt is het beslist. Wij nemen de fiets naar Cancale en onze reisgezellen blijven op de camping want de wandeltocht naar Ploumanac’h eergisteren heeft gisteren en ook vandaag nog zijn weerbots gehad. Een dikke knie zal met een coldpack terug ontzwellen met een dagje rust. Onze fietsroute naar de hoofdstad van de Bretoense oesters voert ons een kilometer of drie langs het water, dan even omhoog richting de corniche en weer naar beneden tot op de kaaien van Cancale. We kennen de plek en de weg ernaartoe sinds vorige zomer dus mikken we dit keer meteen op een fietsstalling in de buurt van Le Galion.
De zon schijnt op het uur van apéro dus zoeken we een tafeltje op het terras van onze favoriete bar voor een Aperol. Traditiegetrouw slenteren we langs de winkeltjes tot bij de pier en de oestermarkt waar andere toeristen zich gulzig aan de weekdieren verlustigen met een glas droge wij erbij. “Niks nodig van Hublot?”, stuur ik voor de grap naar Wouter die er de laatste keer een ganse collectie vergaarde. Hij kleurrijke bermuda’s en ik matrozenstreepjes. Zonder hem kopen we drie weken omzeggens niets, het voelt toch anders zo een congé met twee. Cris krijgt op het middaguur trek in een galette salé dus schuiven we op Quai Gambetta bij La Bisquine aan voor een snelle lunch.
Route Panoramique
Rond een uur of twee hebben we het hier zowat gezien en stappen we terug op de fiets. We klimmen terug omhoog naar de D76 richting Saint-Benoît, maar liever dan weer binnendoor via La Coudre en het onbehouwen stuk holle weg naar het fietspad te rijden volgen we de grote baan. Ergens bij het gehucht Les Portes gaat die met een brede bocht over in een meervaksweg. Tijdens de afdaling van de D155 zouden we makkelijk 50 km per uur kunnen halen terwijl het verkeer ons voorbijraast tot ergernis van mijn wederhelft. Hij heeft het niet op racen begrepen en ik dan weer niet op auto’s die ons in hun slipstream vangen. We zetten er wat meer vaart achter om bij de viviers in Saint-Méloir-des-Ondes terug op het veilige fietspad naar de camping te geraken.
Straks halen we de moules de bouchot en de verse zeevruchten op, nu eerst beslissen in hoeveel dagen we terug naar huis gaan rijden. Marc en Mieke tellen al af naar het weerzien met dochters en kleinkinderen, zij plannen donderdag terug in Ruisbroek aan te komen. Ik kijk ook al uit naar de glimlach van onze derde vent en Cris naar het kwispelen van zijn guitige hond, maar om nu twee dagen eerder dan gepland weer in Bertem te staan? Dat hoeft voor ons nog niet direct en het weer voor de komende dagen belooft in Hauts de France niet veel goeds. Marc weerhoudt mijn oorspronkelijke idee om via Honfleur en Arras terug te keren. Geen zorgen meer voor de rest van het verlof – àls er plaats is op de aires.
Dinsdag 29/07
Saint-Benoit des Ondes – Honfleur (2:20) 220 km (?)
Even voor 15 uur bereiken we de aire camping-cars bij Bassin de l’Est in Honfleur en er ìs plaats want het is zwaar bewolkt, zelfs wat koud en dan oogt de oude nochtans schilderachtige kunstenaarsstad aan het estuarium van de Seine eerder somber en grauw. De donkere wolken lossen een bui die neerplenst in de passantenhaven en over de horecaterrassen. Een paar uur later breekt de zon eindelijk door boven de Vieux Bassin en baden de mooie pakhuizengevels weer in het felle licht. Net lang genoeg om naar de overkant te wandelen voor een aperitief en daarna mogelijk de laatste keer uit eten samen – of toch tijdens deze congé payé.
Kristof raadde ons vorige keer L’Absynthe aan, net buiten de aaneenschakeling van toeristenvallen. Dat bleek weldegelijk een aanrader, maar rond 18 uur zitten Marc en Cris bij La Maison Bleue aan de Hoegaarden. Ik aan de Négroni en het is terug aangenaam warm in de avondzon onder de rode parasols. Waarom verder zoeken? Er zijn burgers voor de toeristen en zelfs trippes à la mode de Caen voor de liefhebbers of waaghalzen en onwetende toeristen. Mijn grizzlybeer zit al een uur ongemakkelijk in zijn smalle bistrostoel dus vraagt hij de gezwinde ober om een grotere tafel onder de luifel. “Sans soucis messieurs, venez avec moi!”
Abats aux cidre et calvados
De volgende garçon dekt voor ons een grote ronde tafel en schakelt Allô Allô gewijs over naar het Engels wanneer hij onze bestelling opneemt. Marc lacht wanneer mijn trippes worden geserveerd omdat ik altijd van het meest afzichtelijke slachtafval geniet. Genieten is relatief, om die plaatselijke specialiteit verteerd te krijgen is er een halve liter cidre bouché vandoen én nog een Irish coffee bovendien! Uit gewoonte bestellen we “Deux Ie:riesj”, want in de rest van Frankrijk spreken ze het net zo uit. “Alors… two Irish coffees. You imitate my language.”, lacht de jongeman nu in quasi perfect Engels dat naar eigen zeggen hier omwille van de vele toeristen zijn tweede taal werd.
Met de avond komt ook de bewolking terug opzetten boven de camperplaats onder de Pont de Normandie die in het vale licht donkergrijs afsteekt tegen de lucht in plaats van glimmend wit. Morgenvroeg rijden we daarover en volgen de A29 en A1 tot Arras, onze Bip&Go’s mogen weer werken aan de tolpoorten en bij de FluxLibre camera’s. Her en der nemen Sanef en Vinci Autoroutes de klassieke barrières al weg om de traditionele files op de snelwegen naar het zuiden tijdens wisselweekends op te lossen.
Woensdag 30/07
Honfleur – Arras (280 km)
Na een regenachtige nacht en de ochtendkoffie kijken we de kat uit de boom want bij het servicepunt staan al een handvol vroege vogels aan te schuiven. “Moeten we eerst aan die automaat gaan betalen of gaat dat bij het buitenrijden ook?”, vraagt Marc. Geen idee van eigenlijk dus hou ik de vertrekkende campers samen met hem een tijdje in de gaten. Vorig jaar betaalde ik eerst aan de kassa, maar bij het buitenrijden kan het blijkbaar ook. Eerste nog lozen, de cassette, want er blijft een wachtrij staan om water af te laten of weer bij te tanken. Dat kan ook op de volgende aire camping-cars dus vertrekken we gelijk naar onze laatste tussenstop: Vallée de la Scarpe in Arras.
Toen we in Saint-Benoît vertrokken had Marc gevraagd of we twee keer over de Pont de Normandie moesten rijden. “Hoezo? Pas wanneer we daar vertrekken, Honfleur ligt nog onder de Seine.”, had ik toen nog eerder verwonderd geantwoord. Wanneer we op de snelweg Gare de Péage Saint-Romain-de-Colbosc naderen, waar de slagbomen wel nog staan, hou ik rechts aan om de télépéage voor vrachtwagens te nemen. Maar net wanneer ik niet meer linksaf kan, merk ik dat er een afslag is achter de rij met tolpoorten. Er zit niets anders op dan aan de volgende rotonde rechtsomkeer te maken en weer de snelweg op te rijden richting Amiens. Argeloos gevolgd door onze reisgezellen vraagt Mieke: “Nog een rondje?” “Ik dacht dat Marc nog eens over de pont wou rijden!” Oeps.
No Bip No Go
Halverwege aan Gare de Péage Cottévrard geeft de Bip&Go van Marc forfait. Net nu let ik niet op de achtervolgers en maak al terug snelheid tot ik plots merk dat de Laika nog altijd voor de slagboom staat. Mieke stuurt een paar tellen later: “Komen eraan biep wilde ni.” Zelfs al volgt Marc zijn gps, toch stress ik al dat we ze weer eens kwijt gaan spelen. Ook al hou ik 90 km aan duurt het nog kilometers vooraleer ze ons weer hebben ingehaald net voor de verkeerswisselaar waar de A29 met de A28 samengaat. Oef. Rond de middag pakken dikke wolken samen boven de snelwegparking bij Fricamp. Lunchpauze en daarna verder naar de camperplaats waar de dreigende wolken aanhouden dus is er nog plaats genoeg voor onze campers.
“Aangekomen in Arras.”, ik breng verslag uit bij de jongste want hoe dichter ik bij huis kom, des te groter is ook het sentiment. “200 km, dat is niet ver meer…”, antwoordt Wouter die ook aan zijn laatste dagen vakantie bezig is en naar ‘broerdag’ vertrekt. “2 uur rijden, misschien komen we morgen al naar huis dan zien we u eindelijk weer.” Hij blijft ginder slapen, verstandig na zo een te voorziene braspartij. Marc en Mieke staan hier op 180 km van hun voordeur en het oude spreekwoord leert dat eens het paard zijn stal ruikt… Wij blijven misschien nog een extra nacht, misschien ook niet. Onze vrienden rijden misschien straks nog naar huis, of niet.
Pays d’Artois
Alles blijft ‘in dubio’ en het sombere weer helpt aan onze vakantiestemming ook al niet. Zij wachten op bericht van de dochter en beslissen dan. Wij blijven sowieso tot morgen. Uiteindelijk komt het verlossende woord. Onze vrienden blijven nog één nacht; maar vertrekken morgen al heel vroeg. Om niet gans de dag op de motorhomeparking te blijven zitten, wandelen we met Marc naar de meest majestueuze belforttoren in het Land van Artoos. De kanten gevels rond de Franse marktpleinen gelijken eens de Somme ten zuiden ligt verdacht veel op die in Vlaamse steden. Hier in Atrecht is die indruk na het oude Rijsel misschien nog het grootst.
Dat is niet toevallig want Artesië met Arras, dat al in de Romeinse tijd de hoofdplaats was van de landstreek Atrebatensis, werd in de 12de eeuw bij het Graafschap Vlaanderen gevoegd. En die bestuurlijke indeling en invloeden zouden blijven tot Louis XIV de Franse Nederlanden midden 17de eeuw terug onder Parijs bewind bracht. Ze tappen hier in de herbergen vandaag nog altijd liever Stella Artois dan 1664 of Heineken. De zon breekt net als gisteren in de late namiddag toch nog door. Tegen etenstijd loopt Marc nog even binnen bij een bakker. Wij in de delicatessen zaak voor een paar souvenirs. Een kilootje Maroilles sous vide in de rugzak stappen we terug naar Vallée de la Scarpe. Precies op tijd om nog een laatste keer de grill aan te steken.
Donderdag 31/07
Al bij het krieken van de dag zitten onze vrienden op vinkenslag om te vertrekken. De rolstoel zit ondertussen in de koffer van de Autoroller die brengen wij terug naar het Zorgpunt. Bij een mok koffie nemen we afscheid: “Veilige reis!” Ze laten straks iets weten wanneer ze goed thuis zijn aangekomen. We zwaaien hen een beetje verweesd uit en overleggen wat wij nog willen en zouden kunnen doen. Ons parkeerticket is nog tot een eind na de middag geldig. Misschien toch nog één nacht blijven staan? Dan kunnen we onze allerlaatste avond ergens iets uit de regionale keuken gaan proeven…
Wouter is toch nog niet direct terug van zijn ‘broerdag’ en ik ben na het laatste kaartspel te weinig uitgeslapen om al naar huis te rijden. Als we vandaag ook al in Bertem arriveren is onze grote vakantie twee dagen vroeger dan gepland voorbij. Dan begin ik waarschijnlijk achterstallige e-mails te beantwoorden of al aan de was en de plas. Zo is kogel snel door de kerk: we gaan eerst nog eens kijken in Arras. Als we een winkelstraat vinden, kunnen we nog wat souvenirs shoppen. Of zoeken naar een restaurant voor deze avond.
P’tits diablotins
Zo gezegd zo gedaan. We ontdekken naast het Place des Héros waar het belfort staat een tweede bijna identiek plein, de Grand Place waarrond ook heel wat hotels en horeca gelegen is. Om te shoppen blijkt het hier bijzonder, of toch niet de winkelstraat die wij vinden. Tegen de middag zijn we zowat alle eethuizen langsgelopen zonder overtuigd te zijn van hun menu. Zoals wel eens vaker komen we automatisch terug bij ons – vooral mijn – eerste gedacht: P’tit Demon Bar Bistronomique. Om zeker te zijn van zijn avondmaal reserveert de grote beer meteen een tafel bij de olijke patron die het meteen met “2 pers. les Belges” in zijn cahier noteert.
Na een Croque Maroille op het terras van Le Saint-Christophe waar we gisteren met Marc hebben gezeten, keren we naar onze camperplaats terug. Cris verlengt ons verblijf met één nacht terwijl ik de fietsen van de drager haal voor een tochtje langs La Scarpe. Onze reisgezellen zijn ondertussen aangekomen en mijn wederhelft antwoordt hen dat wij toch nog wat blijven plakken. De zon verdwijnt af en aan achter de wolken, maar koud is het niet. Perfect fietsweer! Net buiten onze bivakplaats passeert een voie verte die we kilometers lang kunnen volgen in een grote lus terug naar Arras. Cris zijn fietskaart toont een route van 15 km tot Biache-Saint-Vaast of zelfs 20 km helemaal naar Vitry-en-Artois.
La vie en rose
Na goed 10 km net voorbij Rœux verandert het vlakke fietspad wel in een hobbelig wandelpad met gras. Dat vergat de app wijselijk te vermelden. Noord-Franse dorpen zijn veelal op sterven na dood, zo blijkt nog maar eens wanneer we er uitgedorst een café gaan zoeken. Niks gekort en de wolken pakken ook wat dikker samen waardoor er sporadisch een druppel lijkt te vallen. Aan een hoger tempo fietsen we langs dezelfde weg terug tot bij La Guinguette – een zomerbar op een boogscheut van de camperplaats. Gisteren klonk er tot ‘s avonds laat muziek een gezelligheid nu zitten we er moederziel alleen. Maar dat staat een lokaal bier niet in de weg voor we onze aluminium rossen terug op de fietsenrek gaan zetten.
Nog wat luieren en dan maken we ons klaar om naar die Kleine Duivel op het Heldenplein te vertrekken. Ondertussen is mijn troetelbeer terug onder de levenden en weer thuis geraakt – in Bertem wel, helemaal bekomen precies nog niet. Ik heb het er vandaag na die sloot bier, wijn en pastis van gisteren, niet schitterend maar toch beter van afgebracht. Deze middag kon ik zelfs al vast voedsel en alcohol verdragen. Zonder leedvermaak, eerder uit liefde nog een bericht. “We zien u morgen wel. Ik stuur als we hier vertrekken.”, met een virtuele zoen voor de hartendief.
La voix du nord
Na een kattenwasje en met een net hemd rond het lijf stappen we bij de olijke patron binnen. Die verwelkomt ons met een aria waarin hij het lof van les amis Belges bezingt. “Picon, comme apéritif…” “Au vin blancs?” “Non, bière.” De oeuf cocotte serveert hij zo gauw de aperitieven gepasseerd zijn: “Si non, la cocotte sera foutu.” Of we wijn wensen bij het hoofdgericht? “On va rester aux bières avec les rognons de veau…”, besluit Cris. En straks is er misschien nog een Irish coffee of lopen we nog eens terug naar de guinguette voor ik slaapwel stuur naar de achterblijver…
Vrijdag 01/08
Arras – Bertem (250 km)
‘s Ochtends is het mijn beurt om met een oploskoffie op vinkenslag te zitten en te kunnen vertrekken. Er is niets anders dat ons tegenhoudt dan in te pakken, water en toilet te lozen om in één trek naar huis te rijden. “De grizzly grolt nog. Sebiet wakker maken want ik mis u al drie weken.”, stuur ik naar mijn wakkere kameraad waarop de jongeling lacht. “Tot straks!” Een paar minuten over de middag staat de Autoroller terug op de hof en draait de machine al een eerste grote was. Rond een uur of vier mogen we de onverwachte souvenirs en de bestelde calvados van Billy brengen. Dan ziet Cris zijn hondje weer en ik na weken ontbering eindelijk mijn knuffelbeer.
Er liggen ons nog een paar verlengde weekends in het verschiet met wat werken tussendoor tot het officiële einde van de zomervakantie. De jaarlijkse brunch met de “schoonfamilie” en misschien eens weg met Tobias – maar het ziet ernaar uit dat onze tijger daarvoor forfait zal geven. Straks begint het nieuwe schooljaar en dan tellen we samen met ons zorgenkind af naar de herhaling met een noodwendige uitbreiding van de twee laatste herfstvakanties in Berlijn.
Das Leben ist ein Würfelspiel. Wir würfeln alle Tage. Dem einen bringt das Schicksal viel, dem and’ren Müh’ und Plage…



























































































































